40 dagen

Na 40 dagen en nachten verschijnt Jezus uit de wildernis. Verzocht, verleid, maar niet bedrogen. Zondeloze overwinnaar. Hooggespannen verwachtingen. Maar ook een God-mens komt niet onbeschadigd, ongehavend uit zo’n ervaring. Want zo’n ervaring breekt je, lichamelijk, mentaal en spiritueel. Het breekt je zodat God je opnieuw kan opbouwen, terug in elkaar kan zetten, beter, sterker, perfecter misschien.

Dat is althans de verwachting van mensen, wanneer ze zich aan zo’n intense vasten of boetedoening onderwerpen. Of is het de valse hoop die we onszelf voorspiegelen, onder het mom van heiligheid en deugd? Wat is de reden, de échte reden, om in de wildernis te gaan? Laat ons een kat een kat noemen, als we onszelf of anderen dit opleggen, moet er wel een bijzonder goede reden voor zijn! Want wat gebeurt er als de opbouw, het terug, en beter, in elkaar zetten, op zich laat wachten of helemaal niet gebeurt?

Wie of wat willen we in de wildernis tegenkomen? Weten we waar we aan beginnen of wat we van anderen eisen? Wie sturen we de wildernis in en waarom?
Wie of wat komen we in de wildernis tegen en wat gebeurt er daarna? Als de honger en dorst weg zijn, wat dan? In het verhaal hierboven beseft Jezus wie Hij is en geeft Hij eindelijk luidop toe aan dat besef. Dan komt de satan Hem verleiden, en de satan is zijn spiegelbeeld, een exacte kopie. We zijn met andere woorden onze eigen grootste tegenstander. En die van anderen. De verwachtingen zijn gespannen. De teleurstelling is groot. Gedoemd om te mislukken en dat is niet heilig of vroom of goed.

Vasten draait niet om wat we in die periode weglaten of uit ons leven bannen: de chocolade, de drank, de TV, etc. De veertigdagentijd gaat niet om wat we in die periode willen bereiken: meer in of over de Bijbel lezen, meer bidden, meer aan goede doelen geven, enzovoort. Hoe betekenisvol die symbolische daden voor het individu ook kunnen zijn.

Maar het doel van de wildernis moet grootser, de ambitie moet groter durven zijn. De wildernis is waar God wacht, waar ons ego wacht en waar onze medemens wacht, want die is ook in de wildernis, zijn eigen wildernis. De wildernis is heel individueel maar ook heel gemeenschappelijk. Zelfs de heremieten uit de Vroege Kerk hebben dat zo ervaren, want als eentje de afzondering introk, volgde algauw een reeks anderen.

Covid is onze wildernis gebleken; theologen en predikanten zullen hier nog jaren op kunnen teren, zich over kunnen verlekkeren. Misschien ontstaan er op het einde van deze virale rit, deze epidemiologische achtbaan, wel twee groepen mensen: een groep die erdoor gekomen is, die er zich doorgeworsteld heeft; en een groep die is achtergebleven, alle inspanningen ten spijt, meer nog, een groep die we hebben achtergelaten. Financieel, structureel, mentaal, digitaal en ga zo maar door.

Maar we moeten die wildernis ook dóór naar de opstanding. Daar draait het uiteindelijk om, niet om de zelfkastijding en de hemelse bonuspunten, maar om het mens-zijn. Het grootste probleem, vond Luther, is dat we God niet God laten zijn. Vandaar dat het eerste gebod met de andere geboden vooraan in de Catechismus staat. God moet God zijn en de mens moet dus mens zijn, en zichzelf in volledige mensheid ontmoeten, herkennen en erkennen. Zichzelf, en de ander ook.

Patrick van Dievoet