Elke maand rozenkransmaand

Patrick van Dievoet

Oktober is rozenkransmaand. Maar voor sommige mensen hoeft het geen oktober te zijn om de rozenkrans in de hand te nemen…

Al jaren geleden had ze haar tachtigste verjaardag gevierd. In de zachte plooien van haar gezicht kon je een leven lezen, waarvan het verleden veel groter was dan dat de toekomst zou worden. Haar wereld was nog zo groot als het kamertje, waarin ze zich dagelijks fragiel voort bewoog. Wanneer ze voorzichtig van haar stoeltje naar de tafel schuifelde, was je bang dat ze zomaar opeens zou breken. Ze verliet dus nog maar zelden haar stoeltje. Ze was bijna vergroeid met dat stoeltje, waarin ze elke dag de uren voorbij voelde glijden. Boven haar stoeltje – dat al net zo vergrijsd was als zij zelf – hing een oude crucifix. Die had ooit nog de kist van haar eigen moeder gesierd in een tijd dat rouw nog met uiterlijk vertoon beleefd mocht worden. Naast het stoeltje stond een klein tafeltje. Het tafeltje was, net als het vrouwtje, door het dragen van kleine lasten in voorbije jaren, intussen een beetje krom gebogen.

Op het tafeltje stond altijd een kopje thee, lag een zakdoekje en de TV-gids en dat wat misschien wel het kostbaarste bezit van het vrouwtje was: haar rozenkrans. Eens had de rozenkrans de stille gevouwen handen van haar man gesierd, toen hij overleden was. Dankzij die rozenkrans voelde ze hem, zelfs na zoveel jaren,

nog altijd heel dicht bij haar. Die rozenkrans, die ze liefdevol “minne paternoster” noemde, nam ze elke namiddag in haar broze handen. Elke dag, je kon er je klok op gelijk zetten, bad ze een aantal rozenhoedjes.
Het aantal “Wees Gegroetjes” en “Onze Vaders” dat ze met behulp van de rozenkrans gebeden had, was inmiddels niet meer te tellen. In haar hoofd had ze een vaste reeks, waarvoor een rozenkrans moest gebeden worden. Als ze het niet deed, was een dag geen dag geweest. Als het al eens gebeurde dat ze haar “rozenkranslitanie” niet kon bidden, omdat het middagbezoek te lang was blijven zitten, dan voelde zich heel onbehaaglijk.

Elke dag opnieuw prevelde ze, bijna machinaal, haar gebeden met behulp van de rozenkrans voor haar kinderen, voor haar kleinkinderen, intussen ook voor enkele achterkleinkinderen, voor neven en nichten en voor alle familieleden, want stel je voor dat ze er eens eentje zou vergeten. Er was altijd wel een buurvrouw met een kwaaltje die ook een rozenkransgebed kon gebruiken of een goede ziel die wat hand- en spandiensten verleend had en die dan ook bedankt werd met “het lezen van een paternoster”. Ook al bad ze, na zoveel jaren ervaring, bijna op automatische piloot, ze meende het van harte en heel oprecht. Het was haar manier geworden om toch nog een beetje bij te dragen aan het geluk van mensen om haar heen.

Ze had de oktobermaand niet nodig om de rozenkrans te bidden, voor haar was elke maand rozenkransmaand, elke dag rozenkransdag.
Steevast eindigde ze haar gebedsronde met een rozenkrans voor “allen die in de la liggen”.

In de lade van de kleine tafel, naast haar stoeltje, bewaarde ze immers de bidprentjes van alle familie en vrienden, die ze in haar lange leven mee naar hun laatste rustplaats had begeleid.

Jaren zijn verstreken en intussen hebben anderen het vrouwtje weggebracht naar haar laatste rustplaats en “ligt ook zij nu in de lade”…Ik hoop dat er iemand is die – al is het alleen maar in de rozenkransmaand – voor haar een rozenhoedje bidt!